Ik kijk niet naar voetbal. Nee, ik kijk wel naar voetbal, maar niet naar het Nederlands elftal. Ik durf niet meer. Hoewel ik helemaal niet zo vaderlandslievend ben, stijgt mijn nationalisme tot een ongekend hoogtepunt bij wedstrijden waarin Nederland aantreden moet. Met bonkend hart zit ik dan 2 keer 45 (en wat extra) minuten te zweten voor de televisie. Ik wil dat alle passes aankomen, dat de bal nooit op de eigen helft komt en al helemaal niet dat die dan tik-tik-tik wordt rondgespeeld. Dan wil ik die bal wel vooruit duwen, sta ik inwendig te schreeuwen dat je zo geen tegenstander overrompelt. Natuurlijk zeg ik niets hardop, want ik ben een weldenkend mens dat zijn emoties onder controle heeft. Toch kan ik pas weer ademen als het verschil met de tegenstander meer dan drie punten is. En dat gebeurt bijna nooit. Dus daarom voor mijn eigen bestwil: geen Nederlands elftal-wedstrijden. Zelfs niet die van morgen, waar het toch nergens meer over gaat.
Maar om een WK nou ongemerkt voorbij te laten gaan, dat is natuurlijk ook niet leuk. Dus op een druilerige zondagmiddag zet ik mijn strijkplank voor de tv en zie Italië tegen Nieuw-Zeeland aantreden. Hoewel ik de bijnaam van hun team, 'All Whites', nogal bedenkelijk vind, krijg ik al snel sympathie voor de Nieuw-Zeelanders. Die bonkige kerels moeten die gemanicuurde mannetjes uit de Laars toch op gelijke hoogte kunnen houden. Ik durf al bijna niet meer naar de WC, bang om een goal te missen. Het strijken vordert niet meer. Onder mijn oksels wordt het steeds warmer. 'Ja, kop die corner maar weg, houd die bal uit de 16-meter,' schreeuwt het in mijn hoofd. Vier minuten extra tijd, vier minuten! 'Houd het op 1-1, mannen.' Bijna nog opgeluchter dan de Nieuw-Zeelanders zelf ben ik als de wedstrijd bij een gelijke stand afgefloten wordt.
Tsja, wk. Even doorbijten en wat extra deo dan maar.