vrijdag 22 januari 2010

Mijn favoriete winkel


Hierbij een foto van mijn favoriete winkel in Leiden. Helaas hoef ik er niet zo vaak naartoe.

woensdag 20 januari 2010

Gekke honden in het park

Op straat zie ik mensen denken: waarom werkt dat meisje niet? Het is dinsdagmiddag. Kantoortijd. Verdien je eigen brood.

Natuurlijk weet ik niet wat mensen denken. In het park groet ik ze en meestal krijg ik een knikje of een gemompelde groet terug. Wat zij denken, denk ik zelf. Ik schaam me ervoor dat ik niet werk. Hoe moe ik ook ben, mijn gezicht tekent niet. Ik ben niet mank, niet groen en geel of totaal uitgemergeld. Soms voel ik me een spijbelaar, zo midden op de dag op straat. Terwijl ik wel wat doe: lopen, meestal op weg naar een winkel, of de papierbak.

Ondanks dat ik de blikken van anderen voel branden, is er overdag heel veel leuks buiten te beleven: een aanplakposter op een electriciteitskastje met een oude nep-rolling stone, die het beter zou doen in een bejaardenhuis dan in een popcentrum; een jongetje dat bij de marktkraam heel hard roept dat hij aan de beurt is (ik had dat nooit gedurfd toen ik zo oud was als hij), of hele gekke honden.

Eigenlijk ben ik bang voor honden en vind ik dat ze nooit van een wolf een hond hadden mogen worden. Maar ja, het geschiedde anders en nu ontwijk ik de ooit-eens-wolven met een grote boog. Toch zijn er exemplaren die mij aan het lachen krijgen. Niet eens omdat ze dan nog zo'n schattig pluizebolletje zonder tanden zijn, maar door de kruisingsdrang die mensen er op na houden. Na mijn groeten aan oude meneren gisteren in het park, viel mijn oog op de gekke honden. Dit waren herders gekruist met teckels. Eerst liep ik verder, maar dit was te mooi voor woorden: het moest op de gevoelige plaat. Ik zocht het baasje voor toestemming. Een eind verderop zag ik een jonge vrouw van mijn leeftijd. Een foto maken was geen probleem.


Verguld met mijn vondst liep ik verder. Er was nog een jonge vrouw die niet werkte op dinsdagmiddag! Vrolijk liep ik het park uit. Nageblaft door de teckel, die klonk als een herder.

vrijdag 15 januari 2010

Vredige slaap

Ik lig lang wakker. Anderhalf uur is voor mij geen enkel probleem meer. Ik heb maar geaccepteerd dat mijn "ik kan niet slapen, want ik lig al een kwartier wakker"-periode voorgoed ten einde is. Nu heb ik dus tijd in bed. Eerst vulde ik die met lezen, of nadenken over wat er nog op mijn boodschappenlijstje moest. Beiden strategieën werkten niet: de komst van mijn slaap werd evenlang uitgesteld als ik gelezen had en mijn mandje in de supermarkt werd te zwaar van alle onnodigheden.

Het zou fijn zijn geweest als ik mijn gedachten uit had kunnen zetten en 90 minuten naar het plafond had kunnen staren. Helaas kan ik me niet herinneren dat ik ooit niét dacht. En terwijl ik met voeten als ijsklompjes mijn koude bed probeer te verwarmen, verschijnen de beren. Ze veroveren het donker, terwijl ik alleen in mijn bed lig. Kwaadaardig zijn ze en ze maken gebruik van de duisternis om buitenproportionele vormen aan te nemen. Daarom besloot ik over fijne dingen na te denken: ik zag mezelf liggen in het gras onder een grote boom en keek uit over een heuvelachtig landschap. Het was zomer en ik las een boek of lag met mijn hoofd genoeglijk op de schouder van een mooie jongeman, terwijl we samen naar het licht keken dat tussen de bladeren van de boom doorviel. Ik hoorde krekels en een beekje kabbelen. Heel fijn allemaal, maar stand houdt die gedachte niet. Hij is te saai; er gebeurt niets en daarom dwalen mijn gedachten weer af.

Gisteren heb ik het anders aangepakt. Ik bedacht niet langer iets fijns, maar dacht aan iets fijns. Ik zag mezelf weer bij mijn oma op schoot kruipen, vragend om verhaaltjes uit het Rode Vertelselboek. Ik voelde haar hand en keek bewonderend naar het landschap van vlekjes en rivieren. Met mijn vinger kon ik zomaar haar ader induwen. Na oma's schoot, kwam die van opa aan de beurt. Op een wit papier zette hij zwarte lijnen. Die kon hij nog net zien. Mijn broertjes en ik moesten zo snel mogelijk raden wat opa tekende. Vaak een poes. Ik dacht aan hoe wij bij opa en oma in bed kropen als het onweerde en hoe gefascineerd ik was door de tanden in het water, naast hun bed. Opa en oma boden mij een veilige en liefdevolle plek. Vredig viel ik in slaap.

Vanochtend werd ik gewekt door het koeren van een duif, net als bij opa en oma. Op sommige dagen helpt god een handje mee.

woensdag 13 januari 2010

Vandaag gaat er maar één zin door mijn hoofd:

Meneer de president, slaap zacht

dinsdag 12 januari 2010

Ismaya, een echt meisje

Daar liep ze dan, alleen, tussen de winkelrekken door. Weliswaar wat wankel, want dat lopen ging nog niet zo gemakkelijk. Haar speen zat keurig tussen haar lippen geklemd. Onder haar muts sprongen zwarte krullen naar buiten, haar wanten zwaaiden langs haar handen. Ze had een missie, dit kleine meisje. Hoe haar moeder haar ook riep, het haalde niets uit. Demonstratief liep haar moeder de hoek om, maar Ismaya gaf geen krimp. Ze stond met haar rug naar haar moeder toe en glunderde. Ze had uit het laagste rek een knalblauwe cakevorm van zacht plastic weten te bemachtigen. Geen moeder die haar van deze vreugde af kon houden. Haar moeder keerde terug, nu de 'ik ben weg, dus kom snel achter me aan'-truc geen effect had gehad. "Nu al aan het shoppen," verzuchtte de moeder met een met glimlach. "Echt een meisje," voegde ze daar ter verduidelijking aan toe. Ismaya was duidelijk minder verguld met de komst van haar moeder. Nadat het mooie blauw uit haar knuistje was losgetrokken, volgde een kreet die overging in gejammer.

Ik liep de andere kant uit, maar wat ik zocht, vond ik niet. Ik had naar een andere winkel kunnen gaan, maar ja, geen zin. Op weg naar huis dacht ik nog eens na over meisjes en winkelen. Echte meisjes houden van winkelen, van dingen tegenkomen, waarvan je niet weet dat je ze nodig hebt, totdat je ze ziet. En ik, ik had iets nodig, maar zag het niet en ging onverrichter zake naar huis. Bij Ismaya was het shoppen een aangeboren talent; ik ontbeer het. Dan maar geen echt meisje. Ik kan ermee leven.

zondag 10 januari 2010

Gehannes met twee broeken

In 1938, toen was het pas koud. 1938 is voor mij geschiedenis. Een jaartal tussen twee wereldoorlogen in. Er komen dan zwart-wit plaatjes bij mij naar boven van grote families, slechte woningen en vrouwen die met de hand de was doen. Ik kan me bijna niet voorstellen dat iemand zich dat jaar nog kan herinneren, laat staan die winter. Maar het kan, getuige het bijschrift van een foto in de Trouw. In welk jaar ik zelf voor het laatst op natuurijs geschaatst heb, afgezien van vorige winter, zou ik niet meer weten. Ik vind het onthouden van jaartallen een crime, wat natuurlijk niet zo handig is voor een historicus. Ik houd het er maar op dat ik van de grote lijnen ben, de langjarige ontwikkelingen.

Deze winter is weliswaar niets vergelijken met die van 1938, toch had ik me gisteren voorbereid op een helse kou. Bang gemaakt door het KNMI en de berichten op nu.nl besloot ik tot het aantrekken van een thermobroek, ooit aangeschaft om -20 in Noorwegen mee te trotseren. Trek daar nog maar eens een net gewassen spijkerbroek overheen. Een schier onmogelijke opgave en weinig sexy bovendien. Nee, het KNMI maakte het mij niet makkelijk. Van boven tot onder ingepakt waagde ik me buiten: op naar de markt. Warm was het niet, maar die thermobroek, die had niet gehoeven.

In een café zagen een vriendin en ik het donker worden. Verwarmd door de chocolademelk en alcohol trokken we de winter weer in. Het sneeuwde en de wind was iets aangetrokken. Guur en koud, maar niet koud genoeg voor gehannes met twee broeken. Op weg naar huis kwam mijn geluk: de Hooglandse kerk tunnelde de wind even tot ijzige poolvlagen. Muts op, handen diep in de zakken. Voldaan liep ik door; ik had mijn thermobroek niet voor niets aan.

donderdag 7 januari 2010

Eenzame genoegens

Soms is iets alleen een genoegen als je het met anderen samen doet. Sneeuwballen gooien is veel leuker als je een doelwit hebt dat beweegt en sneeuwballen teruggooit, dan sneeuwballen te laten ploffen tegen een koude, gevoelloze en onbeweeglijke muur. Dat laatste is eigenlijk meer een tijdverdrijf, als je vriendje al zoveel sneeuwballen in zijn kraag heeft gekregen dat hij naar binnen is gevlucht. Vanachter het raam kijkt hij, met een kop warme chocolademelk in zijn handen, hoe jij je mooi gemaakte voorraad sneeuwballen uit frustratie maar tegen de muur van zijn huis gooit, in de hoop dat uit die witte vlekken nog een mooi kunstwerk ontstaat. Nee, sneeuwballen gooien moet je mét iemand doen.

Maar sommige genoegens zijn het best alleen te beleven. Als zo'n genoegen alleen buiten kan plaatsvinden, met hele specifieke omstandigheden, wordt hij zeldzaam. Afgelopen maandag was het zover: ik liep als eerste door een vers pak sneeuw. Waar het mee te maken heeft, weet ik niet, maar ik vind het heerlijk om als eerste mijn voetafdrukken achter te laten in zo'n ongerept wit veld. Ik ontnam het maagdelijke van het landschap en liet letterlijk mijn sporen achter. Kijk, wereld, ik heb hier gelopen! Als eerste!


vrijdag 1 januari 2010