donderdag 9 augustus 2012

Zijn DDR-vest

De kou kruipt van mijn tenen naar mijn enkels. Het is kil in mijn huisje, zelfs op een Hollandse zomerdag. Sokken aan dan maar, ook al loop ik liever op blote voeten. Mijn voeten worden nauwelijks warmer, mijn nagels blijven paars gekleurd.

Over de stoel hangt M.'s vest. Dit retro-vest is even jaren 70 als Oost-Duits: bruin, met over de lengte van beide mouwen een rode en gele streep. Precies zoals M. zijn kleding graag ziet. Het vest is er op een willekeurig moment terechtgekomen, maar zal vandaag zijn rechtmatige eigenaar niet verwarmen. Die drinkt thee met Leidse schonen.

Ik trek zijn vest aan en voel even. De geribbelde kraag kriebelt in mijn hals. Tussen de synthetische vezels door ruik ik M.. De ijzeren ritssluiting doe ik dicht. De mouwen komen tot over mijn vingers, het lijf is veel te wijd. Een klein meisje ben ik, in te grote kleren, zijn te grote kleren. Lekker om zijn vest aan te hebben. Het voelt als een stiekeme overwinning. Ik ben in zijn kleren gekropen. Ik heb me zijn bezit gemaakt. Triomfantelijk voelt het en trots. Ik ben zijn vriendinnetje, kijk maar, en ik mág zijn vest aan.

Ik warm op en concentreer me weer op mijn werk. M.'s vest is nu zijn vest niet meer, maar gewoon een kledingstuk dat me warm houdt. Aan het eind van de dag spring ik op de fiets. Nog even een paar boodschappen doen. Pas halverwege bedenk ik me dat ik M.'s vest niet omgewisseld heb voor mijn eigen jas. Met de ogen van vreemden op me voelt zijn kleding opeens ongepast.
 
Ik ben er trots op dat ik M.'s vriendinnetje mag zijn. Maar die trots hoef ik niet meer zo opzichtig uit te dragen, te tonen aan de wereld. Het is genoeg dat ik het voel. En mezelf warm houden: dat doe ik buiten liever in mijn eigen kleren.


woensdag 25 april 2012

Schaamkaas

Boeren belegen kaas wilde ik. De lekkere romige, van vorige week. De potige blonde dame keek me onderzoekend aan. "Je zal wel de kaas van de Anna's Hoeve uit Sassenheim bedoelen". In mijn gedachten zag ik zwart- en roodbonte koeien grazen in een groen weiland bespikkeld met madeliefjes. Boerin Anna wist van haar koeien en het keren van de kazen. Naar deze kaas verlangde mijn geest. Ik kreeg een plakje. De kaas was licht, boterachtig, smeuïg, maar niet de kaas die ik zocht. "Nee, deze is te zacht. Ik zoek een pittigere." Razendsnel scheurde de kaasvrouw een stuk cellofaan af, bond de kaas in en legde hem terug. De droom vervloog.

Er werd mij een nieuw plakje aangeboden. Stolwijkerkaas was dit, met grote gaten. De naam van de boerderij werd me niet meer gegeven. Maar Stolwijkerkaas klonk nog als boerenkaas, Stolwijk als een boerendorp. Ook deze kaas was niet naar mijn zin. Pittig, dat wel, maar te droog, alsof er te weinig vet in zat.

"Dan heb ik alleen nog stalkaas voor je," zei de marktdame. "Stalkaas? Hoe smaakt die dan?" Die smaakt zoals een stal ruikt, was haar korrelige antwoord. Ze was mijn kieskeurigheid duidelijk zat. Ik durfde niet verder te vragen. In het beste geval kon ik me een kaas met hooismaak voorstellen, in het slechtste geval een ammoniakkaas. In beide gevallen doemden er echter beelden op van koeien die nooit buiten kwamen, op metalen roosters stonden en dag en nacht werden blootgesteld aan zoemend TL-licht. Koeien die alleen leefden voor mijn kaas en geen enkel plezier beleefden aan hun koeienbestaan; koeien, die hun jongen niet eens even schoon mochten likken na het kalven. Stalkaas, dat was waarschijnlijk niet wat ik bedoelde toen ik om boerenkaas vroeg. De vrouw bood me een plakje aan. Pittig, smeuïg, precies wat ik zocht. Mijn mond had gekozen. En mijn geest? 'Stalkaas is vast van koeien die 's winters op stal staan en in de lente naar buiten gaan,' vergoelijkte ik mijn keuze. Ik kocht de stalkaas, maar mijn geweten blijft knagen.