Ik ben lid van de vakbond. Als ik het zo opschrijf, lijkt het neutraal, een feit. Maar eigenlijk ben ik lid met tegenzin. Het is alsof het mijn plicht is lid te zijn. En dan ben ik ook nog lid van de vakbond, waar ik het meeste afkeer voor voel: de FNV. Lid worden van de CNV kon helaas niet- mijn opa zou zich omdraaien in zijn graf en bovendien ben ik al abonnee van de Trouw. Dat is wel christelijk genoeg. De FNV doet er werkelijk alles aan om mij me zo ongemakkelijk mogelijk te laten voelen bij mijn lidmaatschap.
Afgelopen week was het nieuwe dieptepunt: ik kreeg een brief over de vastgelopen CAO-onderhandelingen. De FNV was het slachtoffer van werkgevers die niet wilden luisteren. Dat werd in de tekst letterlijk onderstreept en vet-gedrukt. "Maar wanneer je dan wordt uitgenodigd verwacht je natuurlijk ook dat de werkgevers serieus op je eisen in zullen gaan." Mijn ergenis werd extra gevoed door de slecht geschreven brief. Waarom kon er niet gewoon een feitelijk verslag komen: dit waren onze eisen en we zijn er hier en hierom niet uitgekomen?
Bij mij doemden beelden van zo'n 13 jaar geleden op. Ik was alto en had standpunten: ik was voor vrouwenrechten, tegen lichtvervuiling door kassen en voor een gelijke inkomensverdeling. Met discrimatie had ik nooit wat te maken had gehad, mijn moeder kocht in kassen gekweekte groente op de markt (en ik at ze zonder problemen op) en een noemenswaardig inkomen had ik niet. Maar ik was puber en wilde de wereld verbeteren. Daarom werd ik lid van Rebel, de jongerenbeweging van de Socialistische Arbeiders Partij. Eerst waren de bijeenkomsten onschuldig, op de jongenskamer van een schoolgenoot. Maar in Utrecht, waar de SAP vergaderde, werd het serieus. In een rokerig kraakpand bespraken mannen (want dat waren het voornamelijk), gekleed in oude truien en versleten schoenen, de Spaanse Burgeroorlog en de REVOLUTIE. Want de arbeiders in Nederland, nee Europa, zouden in opstand komen. Buitenlanders, die ons zouden bijstaan tijdens die omwenteling, hadden in ons land slaapplekken nodig. Wie had er een bed over? Nou, ik niet. Ik was weliswaar jong, maar niet gek. Hoe graag ik de wereld ook wilde verbeteren, in revolutie geloofde ik niet.
Het beeld van die verongelijkte mannen met onhoudbare idealen, komt elke keer naar voren als ik de brieven van de FNV lees. Bij de FNV moeten ze hun truien maar eens inwisselen voor een goed pak. Van oude truien krijg ik namelijk jeuk.
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Mooi geschreven Nienk, erg grappig en goed!
BeantwoordenVerwijderen